TIG = Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde

BESTEL TIG

T: 035 - 698 2250
BoekenService

TIG 14(5) Ten Geleide

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

Het samenstellen van een (thema)nummer van het Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde blijft voor uw Redactie een verrassende en daardoor spannende aangelegenheid. Toen wij ruim een half jaar geleden startten met de voorbereiding van dit speciale Diagnostiek-nummer, hadden wij in gedachten dat het vooral zou moeten gaan om de dagelijkse, praktische werkwijze van complementair/alternatief werkende artsen en therapeuten, en dat de bijdragen daartoe volgens een min of meer vast stramien zouden dienen te worden opgezet. Daarmee, veronderstelden wij, zou de lezer beter de diverse bijdragen kunnen vergelijken en zou aldus het leer-effect groter kunnen zijn. Wanneer we nu kijken naar het resultaat van dit proces, dan valt op dat de auteurs deels niet dezelfde zijn als die oorspronkelijk op onze planlijst stonden, en dat de bijdragen die wij ontvingen zeer uiteenlopend qua opzet en inhoud zijn.

Ik schrijf dit niet om in het openbaar mijn beklag te doen over deze gang van zaken. of omdat ik ontevreden zou zijn over het produkt dat wij u bij deze aanbieden. Ik ben alleen telkens weer verbaasd hoe anders de dingen kunnen gaan dan je ze plande of verwachtte, terwijl je dan toch moet erkennen: tja, zo kan het ůůk.

De eerste bijdrage is een klinische les van de hand van redactielid Ton van Gelder, die in zijn praktijk werkt met de auriculotherapie. Zijn onderwerp betreft “misleidende diagnostische stempels”, heel toepasselijk voor een diagnostiek-themanummer. De patiŽnt draagt in zo’n geval een stempel met zich mee, beleeft zich vaak als zodanig en zit daarin geheel vast. Door een andere manier van kijken naar het oorspronkelijke probleem en het onderscheiden van de reactie van de patiŽnt daarop, worden soms verrassende openingen naar genezing gevonden. Ton van Gelder illustreert dit aan de hand van twee patiŽnten. In beide gevallen bleken de “psychische klachten” toch via een meer “organische” ingang opgelost of sterk verbeterd te kunnen worden.

De tweede bijdrage is van de hand van dkt Marcel Verheyen uit Leuven. Hij beschrijft de eigen werkwijze in de natuurgeneeskundige praktijk, en illustreert daarbij zijn opvatting dat iedere arts of therapeut toch ergens zijn eigen manier van werken ontwikkelt. Van belang is volgens Verheyen dat de arts of therapeut zich bij het diagnostisch proces kan controleren. Daarom beveelt hij meerdere onderzoekswegen aan om tot inzicht te komen in het probleem van de patiŽnt. De diverse testen zouden op alle drie niveaus van de mens (energetisch, functioneel en weefsel-orgaan-systeem) informatie moeten opleveren. Een en ander wordt toegespitst op een voorbeeld van een patiŽnt met sterke gasvorming in de darmen, migraine en een allergie voor pollen, katten en wol. In de Samenvatting vinden we de concepten (taal) terug waarin deze arts tenslotte het probleem van de patiŽnt beschrijft.

De derde bijdrage is van de hand van de kersverse doctor in de geneeskunde Martien Brands. Het is geen toeval dat wij de vorige alinea beŽindigden met een verwijzing naar “taal”, want daarover gaat deze bijdrage. Martien probeerde, als ik het goed heb begrepen, de diagnostische talen van de reguliere geneeskunde, homeopathie en Chinese geneeskunde te onderzoeken op hun verschillen en overeenkomsten en om vervolgens mogelijkheden aan te reiken om de eigen taal aan te vullen met elementen uit de andere talen. In deze zin ziet hij de bijdrage van de taal, als die van een gedragstherapeut bij relatieproblemen (tussen regulier en “alternatief”). De noodzaak voor een dergelijke “metataal” (“een context waarbinnen uitingen van de tegenstanders een plaats krijgen”) zal zich steeds sterker doen gevoelen bij voortgezette pluriformisering van de samenleving en zorg, zo verwacht deze auteur. Aan de hand van het begrip epigastrische pijn onderzocht Brands bijvoorbeeld in hoeverre dit symptoom binnen de drie benaderingswijzen verwijst naar een ziektecategorie. Daarbij viel hem op dat binnen de reguliere geneeskunde de diagnose veel meer een gesloten categorie is dan binnen beide andere benaderingswijzen. Daar is veeleer sprake van “prototypische categorieŽn”.

Na dit wat abstracte uitstapje volgen een aantal meer pragmatische invullingen van de diagnostiek. De vierde bijdrage aan dit nummer is van de hand van Aad Vis die vanuit een achtergrond als leraar lichamelijke opvoeding/fysiotherapeut thans een eigen kleine praktijk heeft waarin hij in hoofdzaak de meridiaan-kleurentherapie volgens Heidemann toepast. Zijn onderwerp is de fluctuerende huidspanning. De eigenlijke beschrijving van de diagnostiek wordt voorafgegaan door een uiteenzetting over de daaraan ten grondslag liggende visie, c.q. filosofie; het geheel wordt gevolgd door enige casuÔstiek. Essentieel is de opvatting dat de huid belangrijke informatie geeft over de gezondheidstoestand, en veranderingen daarin, van de patiŽnt. Men kan dit gegeven zowel diagnostisch als therapeutisch aanwenden. Duidelijk is dat een en ander vanuit een holistische kijk op de mens en op ziekte wordt benaderd. De reguliere diagnose is dan minder van belang dan wat de patiŽnt als klacht verwoordt en met name ook hoe hij dat doet. Het door en door kennen, doorschouwen van de patiŽnt (de essentie van “diagnose”) blijft hierbij wel voorop staan. Naast anamnese, observatie en inspectie wordt ook onderzoek gedaan naar de energetische disbalans.

De vijfde bijdrage is van manueel therapeut John Bos en zijn collega Hagenaars. Zij benaderen de diagnostiek inzake manueel geneeskundige aandoeningen vanuit het perspectief van de integrale fysiotherapie; centraal staat daarbij het Meer-Dimensionele Belasting-Belastbaarheidsmodel. Binnen dit model wordt gezondheid beschouwd als een dynamisch evenwicht in het op elkaar afgestemd zijn van de eisen die aan een persoon gesteld worden en die een persoon aan zichzelf stelt. De manuele therapeut, en dit is de belangrijkste leidraad voor de diagnostiek, inventariseert en analyseert belemmerende en bevorderende factoren voor biologische en gedragsmatige herstel- en aanpassingsprocessen. Een en ander wordt geplaatst binnen de methodiek van de probleemoplossende methode. Men kan in het artikel nalezen hoe de auteurs deze visie in de praktijk trachten te realiseren.

De zesde bijdrage betreft de bioresonantie en is van de hand van dkt Herman Koning die op dit gebied landelijk een voortrekkersol vervult. De auteur geeft een overzicht van zijn werkwijze in zijn eigen praktijk. Daarbij staat het begrip Energie centraal. Alle levende systemen, waaronder de mens, worden bestuurd door energetische processen. Gesteld wordt dat aan alle ziekten een ontregeling van deze processen ten grondslag ligt. Door middel van geavanceerde testmethoden en verfijnde biofysische onderzoektechnieken is het mogelijk om ontregelingsignalen te registreren voordat het ziekteproces op chemisch niveau een feit is. In dit artikel wordt een kort overzicht gegeven van de diverse onderzoeksmethodieken. De auteur zal in een volgende bijdrage hier dieper op in gaan.

De zevende bijdrage gaat over het hiŽrarchiseringsprobleem in de homeopathie en is van de hand van klassiek homeopaat Markus Kuipers. Want bij het beschikbaar komen van veelomvattende gegevens inzake de gezondheidstoestand van de patiŽnt, ontstaat het probleem van het aanbrengen van ordening. Hoe doet men dat, waardoor laat de therapeut zich daarbij leiden? Door Kuipers wordt gesteld dat de mens op de eerste plaats een geheel is, te omschrijven als een organische structuur waarbinnen verschillende niveaus van Zijn nauw met elkaar zijn verweven en optimaal samenwerken; deze structuur is hiŽrarchisch werkzaam. Symptomen worden gezien als uitingen van de ontstemde levenskracht die bezig is de harmonie binnen het organisme te herstellen. De symptomen worden gerangschikt naar hun intensiteit en naar de mate waarin ze ingrijpen op het organisme. Daarbij kunnen opvallende, merkwaardige, soms paradoxale verschijnselen van groot belang zijn. Andere symptomen kunnen tot verbijstering van de patiŽnt geheel geen aandacht krijgen. Kuiper sluit zijn verhaal af met een voorbeeld-casus.

Ten achtste en ten slotte plaatsen we een bijdrage van Bianca Brundel, moleculair en cellulair bioloog, dat al het voorgaande wel eens een beetje onderuit zou kunnen halen. Dat is niet haar stelling, maar dat maak ik ervan. Want zij schrijft over de gendiagnostiek en zijn toepassingen. Uit haar artikel blijkt dat nu vrij duidelijk is hoe welke genetische informatie wordt overgedragen. Daarbij komt dat er een toename lijkt te zijn van genetisch bepaalde aandoeningen. Het zou kunnen zijn dat in de toekomst eerst gendiagnostiek zal plaatsvinden alvorens overige therapeuten hun gang kunnen gaan. Een integrale geneeskunde in de vorm van diŽten, homeotherapie etc kan daarop dan wel volgen. Om ons een en ander helder te laten begrijpen, legt Bianca eerst uit wat de moderne moleculaire biologie inhoudt. Vervolgens bespreekt zij de gendiagnostiek in het bijzonder, haar toepassingsmogelijkheden, en de impact van gen-diagnostiek en therapie. Zij sluit af met een integrale visie, en zo hoort het ook in een tijdschrift voor integrale geneeskunde.

Het is, zoals ik zei, een verrassend nummer geworden. Met lange en kortere artikelen, abstracte en concrete, naar het reguliere neigende en meer echt “alternatieve”. Wij hebben echter de indruk dat we aldus een aantal interessante visies naast elkaar hebben gezet met tal van aanknopingspunten voor de dagelijkse praktijk. We wensen de lezers daarbij weer, zoals gebruikelijk, veel genoeglijke uurtjes.

Dr. Cor W. Aakster, redactievoorzitter

 

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

[Welkom] [Stichting TIG] [Bestel] [Archief] [Jaargangen 1 - 5] [Jaargangen 6 - 10] [Jaargangen 11- 15] [Jaargangen 16 - 20] [Jaarboeken 21 - 25] [Jaarboeken 26 -]