TIG = Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde

BESTEL TIG

T: 035 - 698 2250
BoekenService

TIG14(3) Ten Geleide

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

De Klinische Les waarmee dit nummer van het Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde opent, is gewijd aan een voorbeeld van biopunctuur, van de hand van onze Belgische correspondent en arts J. Kersschot. Dat het gebruik van homeopathische injecties aangewend kan worden bij zeer diverse aandoeningen mag na lezing duidelijk zijn. De auteur belicht dit onderwerp nader in zijn artikel “Biopunctuur bij hoofdpijn en migraine” in dit zelfde nummer.

In onze tweede bijdrage gaan we in op het chronisch vermoeidheidssyndroom. Het is niet de eerste keer dat het TIG aandacht besteedt aan dit onderwerp (men zie TIG 12.6 “Rapport Myalgische encephalomyelitis - post viraal vermoeidheidssyndroom van Ch. Shepherd). Het huidige artikel kan in zekere zin worden gezien als een vervolg op de genoemde eerdere publicatie(s). Naar de mening van dkt Meijer is kennis van het immuunsysteem en van immunologische reacties noodzakelijk om op dit gebied met enige kans op succes een therapie te kunnen instellen. In aansluiting bespreekt hij oorzaken en gevolgen van bepaalde stoornissen in het immuunsysteem. Na een korte beschouwing over de manier waarop ME is aan te tonen, worden de behandelingsmogelijkheden besproken van deze ziekte. Dat het hierbij gaat om een integrale aanpak in optima forma, zal de lezer niet verbazen als het gaat om een openingsartikel in dit tijdschrift. Een individuele afstemming is zeer noodzakelijk, betoogt Meijer. Verder moeten we kennelijk (veel) geduld hebben wat betreft de verdere ontwikkelingen en het vinden van een afdoende antwoord op het ME-probleem.

Van de hand van ons redactielid F. Neelissen, biologisch tandarts volgt hierop nog een korte aanvulling in verband met de rol van focale storingen in dit geheel.

De derde bijdrage is eveneens van de hand van ons redactielid F. Neelissen.

Een vierde bijdrage in dit nummer is van de hand van Dr G.J. Jansen, wetenschappelijk onderzoeker aan de Universiteit van Groningen die een overzichtsstudie verrichtte van Probiotica en die daarvan ten behoeve van de lezers van het TIG verslag doet. Hij schreef zijn bijdrage vanuit de behoefte een theoretische onderbouwing (en relativering) te verschaffen aan de vele enthousiaste verhalen die in de complementaire literatuur zijn aan te treffen over dit onderwerp. Interessant is dat Jansen een groeiende belangstelling voor Probiotica signaleert in de biochemische research. Jammer is overigens dat de schrijver wel vaststelt dat uiteenlopende auteurs uiteenlopende definities hebben geponeerd, maar zelf niet met een alternatief komt, maar dat terzijde. Uitvoerig gaat de heer Jansen dan in op de optimalisatie van de kolonisatie-resistentie van de darmflora, opgevat als een eco-systeem. Dynamisch is zijn visie wat betreft de “competitie van pathogene micro-organismen om de beschikbare niches in dit ecosysteem”. In dat verband wordt de term “kolonisatie-resistentie” geÔntroduceerd. De moraal van het verhaal blijkt uiteindelijk te zijn dat een rationele therapie met Probiotica pas mag plaatsvinden indien enerzijds aard en oorzaak van de aandoening bekend is en anderzijds de ecologie en fysiologie van het probioticum.

In een vijfde bijdrage zoekt mevrouw B. Thonon, arts voor natuurgeneeswijze, op verzoek van de redactie eerst aansluiting bij de presentatie van G.J. Jansen, maar spitst zij haar verhaal allengs toe op haar ervaringen in de eigen praktijk met microbiologische therapie. In haar benadering is de toepassing van Probiotica binnen de natuurlijke geneeswijzen enerzijds als hulptherapie op te vatten, en anderzijds als basistherapie indien ingepast in een totaal natuurgeneeskundige aanpak. Thonon wijst daarbij op de grote preventieve waarde van de microbiologische therapie. Hoofddoel is het optimaliseren van de darmflora, waarbij de darm in figuurlijke zin wordt opgerekt van mond tot anus. Een korte en verhelderende uitleg over de darmflora wordt gevolgd door aanbevelingen ter versterking van het functioneren van de darmflora en overige therapeutische maatregelen. Daarmee biedt het artikel van dkt Thonon een prima aanvulling vanuit de praktijk op het theoretische fundament van dr Jansen.

De zesde bijdrage is van de hand van dkt Jan Kersschot, onze Belgische medewerker. Zijn artikel gaat concreet in op de mogelijkheden van biopunctuur bij hoofdpijn en migraine. Het gaat daarbij om inspuitingen met produkten die ons biologische systeem ondersteunen. De diverse hiervoor bruikbare stoffen worden besproken, evenals de meest geschikte plaatsen voor de inspuitingen. Naar de mening van dkt Kersschot gaat het hier niet om een nieuwe therapie, maar meer om een nieuwe term voor iets wat al lang wordt gedaan. Schr. sluit af met de beschrijving van enkele voorbeelden van hoofdpijnpatiŽnten waarbij deze therapie met succes werd toegepast. In de meeste gevallen kon een duidelijke reductie van pijnklachten c.q. het geheel verdwijnen van de klacht worden bereikt in een tijdsbestek dat positief contrasteert met de daaraan voorafgaande ziekteperiode (en de daarin plaatsgevonden hebbende reguliere behandelingen). Het is de hoop van dkt Kersschot dat vooral huisartsen meer met deze complementaire therapie gaan werken, naast hun gewone reguliere methodiek.

De zevende en laatste bijdrage in dit nummer is van de hand van Jenneke Wijbenga die als afstudeerproject in de farmacie een scriptie schreef onder de titel “De maretak in de kankertherapie - antroposofische en natuurwetenschappelijke inzichten”. Op verzoek van de redactie bewerkte zij deze scriptie tot een artikel voor ons tijdschrift. In haar bijdrage gaat zij eerst kort in op de ziekte kanker en de gangbare, reguliere therapievormen daarbij. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de maretak en de daarvan afgeleide preparaten. Wij leren zo veel over inhoudsstoffen en werkingsmechanismen van de maretak en het wetenschappelijk onderzoek dat daarnaar is gedaan. Ook de resultaten van enkele klinische studies alsmede kwaliteits- en veiligheidsaspecten komen aan de orde. Wijbenga blijft echter voorzichtig in haar conclusies: de aanwijzingen voor een therapeutisch effect zijn er zeker, maar meer onderzoek is nodig zowel ter bevestiging van deze aanwijzingen als ter identificatie van de feitelijke werkingsmechanismen.

Het geheel overziende kunnen wij ook deze keer een interessant geheel van bijdragen over de complementaire geneeskunde aan de lezers aanbieden. Sommige artikelen bieden daarbij een pittige opfriscursus in wetenschappelijke achtergronden, andere zijn wat meer vanuit de praktijk geschreven. Beide ingangen blijven echter nodig als fundament voor de integrale c.q. complementaire geneeskunde.

 

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

[Welkom] [Stichting TIG] [Bestel] [Archief] [Jaargangen 1 - 5] [Jaargangen 6 - 10] [Jaargangen 11- 15] [Jaargangen 16 - 20] [Jaarboeken 21 - 25] [Jaarboeken 26 -]