TIG = Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde

BESTEL TIG

T: 035 - 698 2250
BoekenService

TIG14(1) Ten Geleide

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

Ten Geleide

Helaas is het te laat om u nog een gelukkig nieuwjaar te mogen wensen. Daarom wensen we u maar geluk met het feit dat er weer zo’n prachtig nummer van het TIG voor u ligt. Op zo’n manier kan 1998 natuurlijk niet meer stuk. En dan ons nieuwe jasje, het werk van de nieuwe opmaker Michel Backus, die Wilbert Linnemans vervangt. Daarmee komt een einde aan onze samenwerking met Wilbert, die zich eerst vooral redactioneel-inhoudelijk en later meer als opmaker met het tot stand komen van het tijdschrift heeft beziggehouden. Ons past een oprecht woord van dank aan het adres van Wilbert, die ondanks de toenemende drukte in zijn praktijk, het tijdschrift vele jaren met raad en daad heeft willen steunen.

Verder vindt u in dit nummer de Klinische les, deze keer van de hand van J.Th. Holwerda, arts, met een voorbeeld van immuuntherapie. Het gaat hierbij om een ogenschijnlijk onschuldige klacht, maar van een persisterend karakter. Bij nader (strikt regulier) onderzoek blijkt sprake van een onderliggend proces, waarvoor patiŽnt het reguliere behandelvoorstel afwijst. Holwerda bespreekt dan de door hem ingezette immunotherapie en de positieve resultaten die daarbij werden gezien. Deze resultaten bleken ook uit enkele reguliere metingen; de longarts was daarom zeer tevreden. Interessant aan deze klinische les is dat het bij deze patiŽnt kennelijk lukte om het immuunsysteem zodanig te prikkelen en te versterken dat daarmee het eigen genezingsproces in de patiŽnt op gang kon komen, en dat zulks ook nog eens regulier-diagnostisch geverifieerd kon worden.

De tweede bijdrage is van de hand van arts R. Deurhof, verslavingsarts/acupuncturist. Deurhof beschrijft de behandeling met acupunctuur in een verslavingskliniek. Hierbij wordt acupunctuur niet gezien als een alternatieve behandeling vanwege a. zijn integratie binnen het totale programma en b. het feit dat ook de meeste andere onderdelen van dit programma wel enigszins “alternatief” kunnen worden genoemd. In zijn toelichtende schrijven aan de redactie wijst Deurhof er op dat vanuit de biologische psychiatrie nieuwe behandelstrategieŽn worden ontwikkeld zoals nieuwe antidepressiva en specifieke middelen als naltrexone en acamprosaat, maar dat deze niet de mens als een geheel centraal plaatsen. De hoogste uitdaging binnen de verslaafdenzorg, zo schrijft hij, is echter om de verschillende behandelstrategieŽn zodanig te integreren dat sprake is van geneeskunst (naast geneeskunde). De wijze waarop dat nagestreefd wordt, kan men nalezen in het artikel.

De derde bijdrage is van mw R. Schšfer-Buss over Bodymind lichaamstherapie. Hier wordt de relatie tussen lichaam en geest uit de doeken gedaan. Op diverse aspecten van deze complexe materie wordt uitvoerig ingegaan en de therapeutische mogelijkheden worden besproken. Het betreft hier bij uitstek het integrale karakter waaraan ons tijdschrift vorm wil geven. Vandaar dat wij de lezers dit artikel van harte aanbevelen

De vierde bijdrage is van de hand van T.H.K. TrossŤl, arts, en betreft de behandeling van rheuma door middel van biologische en fysiologische middelen. De term rheuma is een verzamelnaam voor “alle chronische gewrichtsaandoeningen”. De auteur maakt een tweedeling in vormen van arthrose, waar het accent ligt op degeneratie, en in vormen van arthritis, waar het accent ligt op ontstekingsreacties. Het artikel geeft een helder overzicht van de kenmerken, algemene oorzaken en behandeling van deze aandoeningen. Tevens komt aan de orde dat in beginstadia met reguliere middelen nog redelijke resultaten bereikt worden, maar dat hiervan de effectiviteit op de lange termijn vermindert en er ernstige bijwerkingen kunnen optreden. De auteur stelt als alternatief voor een integrale aanpak, die wij de lezers hierbij graag aanbieden.

De vijfde bijdrage van dit nummer betreft een benadering vanuit, wat wij dan maar even noemen, de integrale fysiotherapie. De bijdrage is van de hand van Hagenaars en Bos, beide praktizerend fysiotherapeut en tevens manueel therapeut. Zij hebben in de praktijk ervaren dat bij veel van hun patiŽnten het biomedische model niet werkt, althans tot onvoldoende resultaat leidt. Dat een en ander niet helderder wordt bij hun meer reguliere collega’s komt, zo stellen de auteurs, omdat het achterliggende werkelijkheidsbeeld van waaruit veel hulpverleners de problematiek van de patiŽnt benaderen, onvoldoende of in het geheel niet wordt geŽxpliciteerd. Zij doen een poging om dit wel te doen aan de hand van de behandeling van een drietal patiŽnten met een vergelijkbare lichte lumbale discusprotrusie.

De zesde bijdrage in dit nummer is van mijn eigen hand, en handelt over de controverse tussen regulier en alternatief, een onderwerp dat mij (ons?) blijft boeien: hoe komt het toch dat zoveel reguliere beoefenaren van de geneeskunst -ondanks hun oprechte zorg voor het welzijn van de patiŽnt- toch nog steeds moeite houden met de “alternatieve” of complementaire geneeswijzen? Het artikel ontstond als een hoofdstuk dat ik schreef voor het nieuwe Leerboek Medische Sociologie dat het volgend voorjaar gaat uitkomen en waarin omstreeks dertig auteurs uiteenlopende onderwerpen behandelen uit het randgebied van het medisch en verpleegkundig handelen, c.q. het functioneren van ons zorgsysteem, en de sociologie. En daarin hoort natuurlijk ook een nadere analyse thuis van de plaats van de zogenoemd alternatieve benaderingen. Mijn centrale stelling in dit artikel is dat de controverse wordt in stand gehouden, dat wil zeggen continu wordt gevoed door een drietal in elkaar grijpende mechanismen: paradigmatische verschillen, eisen ten aanzien van bewijsvoering (onderzoekmethodologie) en een van overheidswege beschermde monopoliepositie van het ene (biomedische) paradigma. In het artikel uit ik in bedekte termen mijn “verbijstering” over het feit dat de “wetenschap”, de overheid, de politiek en de media daarmee nog maar steeds voortgaan.

Ten slotte volgt nog een zevende bijdrage en wel van de hand van Mion en Doosje, twee sociaal-wetenschappelijke onderzoekers van de Universiteit van Utrecht. Het artikel is ontstaan naar aanleiding van een afstudeerproject van de eerste auteur en betreft de klassiek homeopatische behandeling van patiŽnten met depressieve klachten. Het onderzoek(je) dat Mion uitvoerde leidde in feite tot de conclusie dat klassiek homeopaten best weten waarover zij praten als ze het hebben over depressie en dat ze hun “klassieken” ook in redelijke mate kennen. Verder werken deze beroepsbeoefenaren doorgaans niet in een vacuŁm maar hebben zij een of andere vorm van contact met bijvoorbeeld de huisarts van de patiŽnt. Tot slot blijkt dat klassiek homeopaten hun behandeling in sterke mate baseren op de feiten, althans voorzover de patiŽnt zelf deze aan hen verstrekt. Het artikel besluit echter met enkele kritische aanbevelingen, want er valt nog veel nader uit te zoeken en ook te verbeteren.

Tot zover deze korte introductie tot het eerste nummer van de nieuwe jaargang. Wij zijn er als redactie van overtuigd dat u als lezer hierin weer voldoende lezenswaardige zaken zult kunnen aantreffen over zeer uiteenlopende onderwerpen.

Cor W. Aakster, redactievoorzitter

Kreten:

Klinische les: immunotherapie

Acupunctuur bij verslaving

Body Mind

Reumatische klachten

Integrale fysiotherapie

Controverse regulier alternatief

Klassiek homeopaten onderzocht

 

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

[Welkom] [Stichting TIG] [Bestel] [Archief] [Jaargangen 1 - 5] [Jaargangen 6 - 10] [Jaargangen 11- 15] [Jaargangen 16 - 20] [Jaarboeken 21 - 25] [Jaarboeken 26 -]