TIG = Tijdschrift voor Integrale Geneeskunde

BESTEL TIG

T: 035 - 698 2250
BoekenService

TIG13(2) Ten Geleide

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

Ten geleide

Het tweede nummer van onze dertiende jaargang opent met een Klinische Les van dkt Henk Schram te Berlicum. Hij bespreekt daarin twee patiŽnten die zich met een vergelijkbare tumor bij hem vervoegden en een behandeling ondergingen. In beide gevallen was sprake van een duidelijke vooruitgang, maar toch, zo beschrijft Schram, was de prognose voor de ene patiŽnt aanzienlijk gunstiger dan voor de andere. Hij verklaart dit aan de hand van een verschil in reactietype op de ziekte van de zijde van de patiŽnt: de een past duidelijk de eigen leefwijze aan en heeft een innerlijke groei en bewustwording doorgemaakt die zulks ondersteunt. De ander heeft echter een druk maatschappelijk leven en valt -nadat herstel zich duidelijk aandient- terug in oude leefgewoonten. Daarmee legt Schram de vinger op een wonde plek in de alternatief geneeskundige zorg (maar niet alleen daar natuurlijk), namelijk de nazorg. De behandeling houdt doorgaans op op het moment dat de patiŽnt voor het laatst de spreekkamerdeur achter zich sluit, maar vaak heeft het herstel, als dat er is, zich op dat moment alleen nog maar aangekondigd en zou in beginsel een voortgezette begeleiding of bewaking gewenst zijn. Ook de patiŽnt moet daartoe echter gemotiveerd zijn.

De tweede bijdrage is van de hand van Johan Bolhuis, ooit actief in Granulla, nu als algemeen arts verbonden aan de Kliniek Midden Nederland te Nieuwegein. Zijn van Boerhaave afkomstige motto “Houdt het hoofd koel, de voeten warm en prop niet te vol de darm” zou in feite boven de ingang van iedere McDonald moeten staan. Het verslag van Bolhuis betreft een door hem uitgevoerd onderzoek naar de invloed van een vastenkuur op gewicht, bloeddruk, vetverdeling en verhouding HDL/LDL-cholesterol. Het wordt voorafgegaan door een kort overzicht van enkele belangrijke literatuurgegevens inzake relaties tussen voeding en (on)gezondheid. Getracht is enkele parameters tenminste vier keren tijdens de kuur te meten, maar zoals zo vaak, kon door wisselende omstandigheden dit doel niet geheel worden gerealiseerd. Daarom, en ons inziens terecht, is deze onderzoeker voorzichtig met het trekken van vergaande conclusies. Desalniettemin mogen de resultaten van zijn onderzoek verrassend worden genoemd. Wat de eerder bedoelde omstandigheden betreft: sommige patiŽnten voelden niet voor een prik, en ook “vergaten” enkele laboratoria de hiertoe gemaakte afspraken. Dit maakt opnieuw duidelijk dat het wetenschappelijk onderzoek in de alternatief geneeskundige praktijk te maken heeft met extra moeilijke uitvoeringsvoorwaarden. Desondanks hopen we dat veel meer van dit soort onderzoeken zal plaatsvinden opdat de wetenschappelijke grondslag van de complementaire geneeswijzen daarmee duidelijk verstevigd wordt.

Het derde onderwerp betreft een korte impressie van een van de redactieleden van een seminar georganiseerd door de Stichting Toetsing Fytotherapeutica, die het formele omhulsel is van de commissie met verder dezelfde naam. Deze commissie is enkele jaren geleden ingesteld om een private regeling tot stand te brengen inzake de toetsing/registratie van het plantaardige geneesmiddel. Dit omdat anders een wettelijk verbod, met name op grond van Europese richtlijnen, was te verwachten. Tijdens het seminar werd de voorgenomen proeftoetsing, waarvoor het ministerie van VWS een subsidie verleende, uitgebreid toegelicht door enkele leden van de CTF (Commissie Toetsing Fytotherapeutica), en werden daarop commentaren gegeven vanuit de overheid en het bedrijfsleven. De te verwachten ontwikkeling zal waarschijnlijk deze zijn dat de CTF in nauw overleg met het bedrijfsleven een reeks fytotherapeutica zal toetsen en dat aldus gaandeweg een systeem van toetsing kan worden ontwikkeld dat over enige jaren een wettelijke status zal kunnen krijgen. Waarbij dan ook het College voor de Beoordeling van Geneesmiddelen in de picture komt. Wanneer dit zou lukken, zijn de fytotherapeutica, na de homeopatica, de tweede categorie “alternatieve” preparaten waarvoor een meer aanvaardbaar officieel kader wordt verkregen.

Het vierde onderwerp betreft een heikel punt uit de huidige reguliere oncologie, namelijk de toepassing van het middel Taxol bij vergevorderd ovariumcarcinoom. Het middel wordt gefabriceerd op basis van de bast van de Taxus Brevifolia en verkeert in feite nog in een ontwikkelingsstadium. Desondanks is er een grote druk van de zijde van patiŽnten en fabrikanten/onderzoekers het middel voor te schrijven, gezien de gemelde gunstige effecten in vrij late fasen van het tumorproces. Deze gunstige resultaten betreffen in feite echter slechts een betrekkelijk geringe levensverlenging, zonder dat duidelijk is hoe het in die fase met de kwaliteit van leven staat. Bekend is in elk geval dat het middel nogal wat bijwerkingen kent.

Het grootste probleem is echter dat het middel zo duur is. Men heeft geschat dat een gewonnen levensjaar op deze wijze omstreeks f80.000 zou kosten. In de praktijk blijkt het middel dan ook mondjesmaat te worden voorgeschreven, vooral door een streng beleid in deze van de ziekenhuisdirecties, die zich anders geconfronteerd zouden zien met budgetoverschrijding. Goede raad is (eveneens) duur, dus dacht de redactie van Medisch Contact er goed aan te doen een aantal deskundigen uit te nodigen hun licht op deze zaak te laten schijnen. Dit gebeurde ergens aan het einde van 1996. Deze discussie heeft het TIG opgepikt, de problematiek nog eens opnieuw geordend, een en ander in een meer integraal geneeskundige context geplaats en nogmaals een aantal deskundigen uitgenodigd hun zegje erover te doen. Deze “invited comments” vindt men aan het slot van ons samenvattende artikel. Tot onze spijt is de discussie op deze wijze echter niet veel verder gekomen, en heeft de reguliere geneeskunde een belangrijke kans gemist zich bij onze denkbeelden te mogen aansluiten. Men kan dit spannende gebeuren echter beter zelf nalezen.

De vijfde en laatste bijdrage is van de hand van Hans Attevelt, sociaal-wetenschappelijk onderzoeker met name op het gebied van de paranormale geneesmethoden, vanwie nu het tweede deel verschijnt van zijn onderzoek naar het beroepsprofiel van de paranormale genezer. Overigens willen wij zowel aan de auteur als aan de lezers onze excuses aanbieden voor het feit dat deel II pas nu volgt op de publikatie van deel I (zie TIG 12.4). Deze vertraging is uitsluitend het gevolg van een luxe-probleem voor een redactie: te veel aanbod van kopij.

Inhoudelijk kan het volgende worden gezegd over het artikel: Op grond van een uitgebreide enquÍte onder beroepsbeoefenaren, wist Attevelt de hand te leggen op interessante gegevens en uitspraken. Daardoor kon hij duidelijke aanbevelingen opstellen inzake het beroepsprofiel van de paranormaal genezer. Wij zijn blij met deze bijdrage van Attevelt omdat deze duidelijk maakt dat enerzijds sprake is van een vrij grote diversiteit binnen dit beroepsveld, maar dat het anderzijds mogelijk is daarin een gemeenschappelijk kader aan te brengen. Dit gemeenschappelijke kader zal verder vertaald (dienen te) worden naar de opleidingen en toelatingsvoorwaarden van de (representatieve) beroepsorganisatie. Dit heeft te maken met kwaliteitseisen die men aan een beroepsbeoefenaar in het veld voor de integraal geneeskundige zorg dient te stellen en aan een verantwoorde voorlichting aan het publiek over dit beroep en zijn therapeutische mogelijkheden.

Tot zover mijn korte inleiding op deze nieuwe aflevering van het TIG. Wij hopen dat de verzamelde artikelen voor velen onder de lezers interessante aangrijpingspunten zullen bieden.

Cor W. Aakster, redactievoorzitter

 

NavLeft

Abonneer

NavUp

Reageer

NavRight

[Welkom] [Stichting TIG] [Bestel] [Archief] [Jaargangen 1 - 5] [Jaargangen 6 - 10] [Jaargangen 11- 15] [Jaargangen 16 - 20] [Jaarboeken 21 - 25] [Jaarboeken 26 -]